140 gram koolhydraten per uur. Zes renners van Lotto-Intermarché, een test van drie uur aan 250 watt, met professor Jan Boone en Kobe Vermeire, voor een studie van UGent. De grens lag op 120. Die is verschoven.
Ik hoorde dat op de radio in het atelier, een sleutel van vijftien in de hand. Koolhydraten zie ik nooit. Ik zie wat ze vervoert: de bidon en de musette. En ik heb een vraag die niemand stelt. Wie spoelt de bidons uit?
Want een zoete bidon, dat weet je, plakt. De dop plakt, het ventiel plakt, de bidonhouder plakt als de bidon heeft gelekt. Ik ken dat. Op zondag heb ik in het busje een bak liggen die van de koers terugkomt en op warm water wacht. Hoe meer suiker erin zat, hoe langer ze wacht.
Kobe Vermeire zegt dat Lotto-Intermarché niet het enige team is dat in die richting zoekt, maar dat de studie bij profrenners uniek is. Goed. Bij mij is de studie ook uniek: een borstel met lange steel, een teil en de tuinslang die ik in oktober weer bovenhaal voor het veldrijden.
Jan Boone zei het tegen HLN: „Als we erin slagen de hoeveelheid koolhydraten die een renner kan opnemen én verbranden te verhogen, kan hij langer op hetzelfde prestatieniveau presteren, ook tijdens het laatste uur van een wedstrijd.” Dat laatste uur ken ik ook. Dat is het uur waarin de bidonhouder begint te piepen omdat er op de eerste kassei een schroef is losgekomen.
Het gepiep van het laatste uur hoorde je beter achteraan. Vooraan was er de moto.
Ik ga de bidonhouders van de club eens natrekken. En nieuwe borstels kopen, hè.
Het klopt, we hebben het nagekeken: HLN.






