Dertiende in de Ronde van Lombardije op twintig jaar, in zijn eerste Monument. Jarno Widar had nog nooit een koers van die lengte gereden, zegt Sporza. En dat snap ik. Ik heb ook een langste rit.
De Ronde voor wielertoeristen, de versie van 140. Enfin, ik had me ingeschreven voor de 140. Ik ben de laatste keer op de 74 geëindigd, met de rugzak, twee koffiestops en het rode licht in Oudenaarde, dat ik elke keer meetel omdat het mij nooit meetelt. Trek de rugzak, de koffie en het licht eraf: dan blijft 74 over. Dat geef ik toe. Ik zeg niet dat het hetzelfde is. Ik zeg dat we allemaal die kilometer kennen waarop de rit langer wordt dan jijzelf.
Hij vond hem in de laatste klim. Hij zat lang in de kopgroep, miste dan de aansluiting met de achtervolgers, die van Remco Evenepoel en Ramses Debruyne, die sprintten voor de vierde plaats. Na de aankomst zei hij tegen Sporza: “Ik ben gewoon helemaal choco. Ik weet niets over de uitslag. Ik kan geen deftig antwoord geven, ik zie gewoon zwart.”
Hij wist niets over de uitslag. Het enige moment in mijn leven dat ik niet op mijn teller keek, en dan nog heb ik er in het café, rond de middag, op gekeken om het na te gaan.
Hij kende zijn klassement niet. Het klassement kende hem. Dertiende.
En voor wie het al over de leeftijd heeft: hij antwoordde zelf al: “Seixas wint, dus leeftijd heeft er niets mee te maken.” Paul Seixas, de winnaar, is de enige renner voor hem in de uitslag die jonger is. Ik vertrok op mijn twintigste al om negen uur twintig. Daar heeft het ook niets mee te maken.
Aan de toog hebben we mijn langste rit berekend, met de heenrit naar het plein erbij. Daarover kunnen we praten.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Sporza.






