Dylan Teuns stopt, op vierendertig jaar, na twaalf seizoenen. In zijn palmares staan de Waalse Pijl, de Ronde van Polen en twee ritten in de Tour de France. Zijn mooiste zege, zegt hij zelf, is de Waalse Pijl, op de Muur van Hoei, voor Alejandro Valverde. Vooraan weet ik het niet. Waar ik naar kijk, is de dag erna.
Op die dag erna, 30 oktober, is hij gaan rijden. De dag ervoor stopt hij, de dag erna rijdt hij. Hoe dat er rondom aan toeging, ik was er niet bij, ik ga het u niet vertellen. Bij ons, na het laatste seizoen, herinner ik me vooral dit: je zoekt de wagen in je achteruitkijkspiegel, en er is alleen de weg. De eerste bidon die ik zelf vulde, aan de keukenkraan, was een rare bidon. Een bidon, die moet je verdienen, ook die.
Hij zei aan Sporza dat hij nog mogelijkheden had, maar niet meer op het niveau dat hij ambieerde, en dat hij dat jammer vond. Dat zegt men kalm, zulke dingen. Dan gaat men verder: „Nu zijn we bezig om wintertarwe te zaaien.”
Wintertarwe ken ik een beetje, er staat veel rond Ronse. Je zaait ze als iedereen de andere kant op kijkt, je laat ze onder de vorst liggen, en niemand filmt ze tot in de zomer. Het is een knecht, wintertarwe. Ze werkt als de camera weg is.
Hij voegde eraan toe dat hij niet van plan was veel handarbeid te doen, lachend, en dat hij het liefst zo veel mogelijk machinaal deed. Goed. La course ook, op het einde, rijd je op het groot plateau uit als het kan.
Machinaal, goed. Maar iemand smeert de ketting, hè.
Ik las dat allemaal in de cafetaria van een veldrit, een tas koffie in de handen, de veldrit al gedaan en de hekken die men afbrak. Honderdentwaalfde in de Ronde, binnen de tijd, en nooit een veld van mezelf. Hij heeft er wel een. Ik heb nog een koffie genomen.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Sporza.






