Ik heb de rolmeter uit de gereedschapskist gehaald en uitgerold in de bestelwagen, van de werkstandaard tot aan de achterdeuren. Niet voor een fiets. Voor mosselen.
Lucinda Brand won de Mosselcross in Dendermonde, de eerste veldrit van het seizoen, en ze krijgt 100 kg mosselen. Honderd kilo. Ik heb de radio van het atelier, de opgerolde tuinslang, drie paar laarzen, twee reservewielen en een emmer. Ik reken na. De emmer heb ik in mijn hoofd al leeggegoten.
De koers zelf werd beslist in de laatste van de zeven ronden. Brand lag voorop met drie seconden op Alvarado, zeven op Betsema, en ze versnelde in de slotronde. Beslissende demarrage, schrijft Sporza. Ik hoor een transmissie die na zes ronden al haar verzetten zonder aarzelen schakelt op het moment dat het moet. Dat is een propere ketting. Een propere fiets, dat is al de halve koers.
En ik stel me de enige vraag die niemand stelt. Mosselen zijn nat. Honderd kilo mosselen in een wagen voor het veldrijden, dat is zeewater op de vloer, naast de pedalen en de lagers. Zout is voor mij de vijand van het balhoofd. Wie spoelt de vloer? Wie droogt de lagers, hè?
“Bij ons zouden de mosselen in de auto gaan en de fietsen op het dak. Dat is het plan.”
Rik heeft misschien gelijk. Maar met welke bandenspanning, met honderd kilo in de koffer? Mij heeft ook niemand dat gevraagd.
Ik heb de rolmeter opgeborgen. Ik heb de lagers van de clubfietsen gesmeerd, uit principe, voor als we ooit iets winnen dat naar de zee ruikt. Wat we met die honderd kilo doen, zeg ik niet. Dat is geen onderdeel van de fiets.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Sporza.






