Eli Iserbyt sprak met Sporza voor de Koppenbergcross van zondag. Veel crossers zijn niet enthousiast over de Koppenberg, en hij zegt dat hij daar weinig begrip voor heeft. „Ik vind het een drogreden dat de Koppenberg lastig is”, zei hij. En even verder: „Dat is quatsch. Train en presteer.”
Goed. Ik heb het segment. Niet dat van het veldrijden, dat van op de weg, de dag voor de Ronde, met de wielertoeristen. Drie keer. Alle drie de keren deed ik hem te voet, de schoenplaatjes wegglijdend op de kasseien, de fiets aan de hand en een kerel voor me die al wandelend zigzagde, wat ik niet voor mogelijk hield.
Dus maak ik mijn kolom. Trek de rugzak af. Trek de kerel af die zigzagt. Trek af dat ik te voet was, wat, ik geef het toe, zwaar doorweegt in de berekening. Dan blijft er een man van zevenenveertig over op de top van de Koppenberg, en die man mag meepraten over het woord „drogreden”.
Wat me aan het denken zette, is iets anders. Iserbyt zegt dat het parcours van tien jaar geleden compleet anders was en dat je de Koppenberg nu koud aanpakt, meteen vanaf de start. Volgens hem weten sommigen op de top al dat hun cross voorbij is. Dat ken ik. Op zondag weet ik in het café van negen uur twintig al dat mijn rit gedaan is. We vertrekken toch.
En dan is er die andere zin: „De intentie moet er zijn, anders hoef je niet te starten.” Ik heb de intentie al drie edities. Het is de rest die te voet volgt.
Thibau Nys maakt zondag zijn (her)entree, op diezelfde bult. Paul Herygers denkt dat hij meteen voor de hoogste trede gaat. Ik zeg niet dat ik het beter zou doen, hè. Ik zeg dat we over de klim kunnen praten. Over de afdaling minder.
Aan de toog hebben we tot de middag over de intentie gepraat, en niemand stelde voor om ter plaatse te gaan kijken.
Het klopt, we hebben het nagekeken: Sporza.






